150 jaar zuivelindustrie


Vanaf 1871 ontstonden de eerste zuivelfabriekjes in Nederland. Ze werden opgericht door particuliere ondernemers of door groepen melkveehouders, die coöperaties vormden. Her en der waren er initiatieven:
-1871, de kaasmakerij van veehouder Adrianus van der Breggen in Waddinxveen
-1871, de kaasmakerij van J. Meuler in Broek in Waterland
-1872, de kaasfabriek in Wieringerwaard, gesticht door twintig veehouders.

Centrifuge
De overgang van boerderij naar fabriek had meerdere oorzaken. Eén ervan was machinale melkontromer of centrifuge. Met die machine kon de room in enkele minuten van de melk worden gescheiden. Om zo’n dure machine aan te schaffen was het voordelig om als boeren samen te werken.

Boterproblemen
De boterbereiding op de boerderij stond ter discussie vanwege kwaliteitsproblemen. Dat was niet altijd de schuld van de boerin. Er waren handelaren die knoeiden door bijvoorbeeld boter te vermengen met margarine, de namaak-boter die in die tijd opgang maakte. Met eigen fabrieken kon de kwaliteit beter in de hand worden gehouden, zo was de redenering.
In Noord-Holland ontstonden de eerste kaasfabrieken in voormalige akker­bouwgebieden, de Wie­ringerwaard en de Anna Paulownapolder, waar de boeren geen ervaring met kaasmaken hadden. Toen die fabriekjes een succes bleken, volgden elders nieuwe initiatieven.

Tegenstelling particuliere fabriek-coöperatie
Een van de eerste zuivelfabrieken was de Freia, die in 1879 door M. Bokma de Boer in Veenwouden werd opgericht. Maar hij ondervond veel tegenwerking. Boeren waren wantrouwig om hun melk in een fabriek te laten verwerken ; bovendien was de Freia een privé-initiatief. Vanwege hun zwakke positie op de markt werkten ze liever samen bij de verwerking en afzet van hun producten. De eerste officiële zuivelcoöperatie ontstond in Friesland. Melkveehou­ders uit Warga besloten in 1886 voor geza­men­lijke rekening (en aansprakelijkheid) een fabriek op te richten. Het voorbeeld werd snel nagevolgd. In 1895 stonden er in Friesland al 66 coöperatieve zuivelfabrieken op een totaal van 112.

Handkracht of stoom
In de eerste zuivelfabrieken werd de centrifuge nog met de hand aangedreven, en kaas ook nog ambachtelijk gemaakt. Later ging de stoommachine de machines aandrijven en werd er gesproken van stoomzuivelfabrieken. In 1900 stond in ongeveer de helft van de 876 fabrieken een stoommachine.

Melkinrichtingen
Om de kwaliteit van de consumptiemelk in de steden te verbeteren hebben particulieren aan het eind van de 19 eeuw melkinrichtingen opgericht. Zoals de oprichters van de ’s-Gravenhaagsche Melkinrichting die in 1878 die tot doel had: “den verkoop van zuivere, onvervalschte, niet afgeroomde en niet verdunde melk”. In 1894 kreeg de melkinrichting officieel als roepnaam De Sierkan, naar de glimmende gepoetste melkkannen die op de bezorgwagens van de slijters stonden.

Zuivelbonden en verkoopverenigingen
Aan het eind van de negentiende eeuw sloten de eerste zuivelfabriekjes zich aaneen om de verkoop van hun producten te bevorderen. Voorbeelden daarvan zijn de botermijnen en verkoopverenigingen, zoals de Frico.
De zuivelbonden in Groningen, Drenthe, Overijssel en Gelderland gingen in 1918 over tot de oprichting van verkoopverenigingen. Zij sloten zich in 1918 aaneen tot de Nederlandsche Coöperatieve Zuivelverkoopcentrale (NCZ).
In Zuid-Nederland groeide vanuit de botermijnen in Eindhoven en Maastricht de Zuid Nederlandse Zuivelbond. Samen met de Brabantse Zuivelbond werd in 1970 de Zuid-Nederlandse Melkindustrie opgericht met productiebedrijven in Veghel, Bergeyk en Zevenbergschenhoek.
In Friesland sloten zuivelfabrieken zich in 1898 aaneen in de Friesche Coöperatieve Zuivel-Export Vereeniging (FRICO). Doel van de vereniging was het verkopen van de boter, later ook kaas, van de aangesloten fabrieken. Het bedrijf deponeerde handelsmerken die bij de afnemers vertrouwde namen moesten worden. Na 1950 werd de naam Frico als consumentenmerk ingezet. In Nederland kreeg de slagzin “Niet vergeten, Frico eten” grote bekendheid
Friese zuivelfabrieken besloten in 1912 tot de oprichting van de Coöperatieve Vereeniging tot Bereiding van Melkproducten, later Coöperatieve Condensfabriek Friesland genoemd..Onder de eerste directeur, Sietse Hepkema, ontwikkelde de CCF zich tot een succesvolle onderneming die exporteerde naar Europa en Azië. In Nederland zou Friesche Vlag na de oorlog een begrip worden als leverancier van koffiemelk.

Fusies
De opkomst van de supermarkten van af de jaren zestig, de grote concurrentie op de voedingsmarkt en de vorming van een Europese markt in 1968 stimuleerden de zuivelondernemingen vanaf de jaren zestig tot schaalvergroting en fusies. Dat leidde uiteindelijk in 2008 tot een bundeling van veel fabrieken in Friesland Campina. Zie de Stamboom van de Nederlandse zuivel.
Naast deze grote spelers bleken zich ook middelgrote en kleinere ondernemingen te kunnen handhaven.